Zwart van de nacht

De nachten in de Ardennen zijn donker. Niet zoals ze in de stad zijn. Waar het licht van etalages het zwart van de nacht op afstand houdt. Waar de koplampen van de continue stroom auto’s op weg naar ergens anders of juist naar huis zorgen voor een lichtfeest op straat. De nachten in de Ardenne zijn stil. Niet zoals ze in de stad zijn. Waar groepen op weg naar een leuke avond, de stilte proberen te verdrijven met conversatie. En waar zelfs in het diepste van de nacht het geluid van remmende en rijdende treinen de rust verstoort.

Donker en stil zijn de nachten tussen de heuvels en in de bossen. Maar van rust is geen sprake.

Met een boek op schoot en verdiept in een goed verhaal kan het me toch niet ontgaan. Het lawaai dat de stilte met zich meebrengt is oorverdovend. Subtiel, maar alles omvattend. Het geritsel in de struiken, waarvan ik hoop dat het klein wild is. De voetstappen die mijn richting op lijken te komen, terwijl ik wanneer ik uit het raam kijk niemand zie op het pad dat naar mijn huisje leidt.

Geluid leidt een ander leven in de Ardennen. De bomen en bergen maken dat het geluid niet verloopt zoals het in de stad verloopt. Wat ver weg is, klinkt dichtbij. Wat dichtbij is, is bijna onhoorbaar.

Omdat ik toch wil weten waar de voetstappen vandaan komen besluit ik de veilige en warme bank te verlaten en polshoogte te gaan nemen. Ik trek mijn sloffen aan en draai het slot van de deur. Buiten is het koud, maar niet zoals in de stad. De kou is snijdender, scherper. Alsof alle elementen in dit gebied willen benadrukken dat ze anders zijn. Dat ik hier een vreemde ben, die de gebruiken en de taal niet goed kent.

De voetstappen hoor ik niet meer. In de verte blaft een hond. Of is hij dichtbij? Het is moeilijk te bepalen waar het geluid vandaan komt.

Nu ik toch buiten ben bestudeer ik de lucht. Ik zie sterren. Niet een paar, maar ontelbare sterren. Natuurlijk weet ik dat er ontelbare sterren zijn. Maar in de stad blijven ze weg. Verjaagd door de lichten die nooit uit willen. Hier in het donker spelen de sterren ’s avonds zoals de meeste van hen dat sinds het begin der tijden hebben gedaan. Toen de mens de etalage en de auto nog niet kon dromen.

De nacht geeft mij de kriebels. De haren op mijn armen staan overeind. Het donker voelt gevaarlijk, de wind brengt ontij. Dit zijn de momenten waarop oude verhalen weer gaan  leven. De spookverhalen die mijn opa vertelde. De onverklaarbare zaken die hij als visser op zee mee had gemaakt.

Dit zijn de momenten waarop zombies en geesten, vampieren en duivels geen fantasie maar realiteit lijken. De stilte is vettig, als crème die maar niet in wil trekken. Het zwart van de nacht en het subtiele geritsel in de struiken beloven iets donkers. Iets onnatuurlijks. Iets plotselings en gevaarlijks.

Ik stap snel weer naar binnen, trek de deur achter mij dicht en draai de sleutel om. Binnen is het licht en gezellig. Het ruikt naar het eten dat ik nog geen uur eerder heb gegeten. Het ruikt naar een thuis. Niet echt het mijne, maar de geur van mens en van de daarbij horende civilisatie verdrijft het donker en de bijtende buitenlucht.

Snel doe ik nog wat lampen aan en de televisie. Een reclame voor Vifit en het nieuwe seizoen van een spannende serie. Ik voel me weer onderdeel van de realiteit. Hier binnen kunnen zombies en vampieren niet leven. Alleen op het kleine kastje dat ik met een druk op de knop uit kan zetten.

Terug onder de deken en met mijn boek in de aanslag probeer ik niet meer aan die donkere wereld van buiten te denken. Die wereld is pas weer relevant wanneer de zon erop schijnt. Voor een stadskind zijn donker en stil als een poema. Sierlijk, spannend en mooi – maar uiteindelijk gevaarlijk.

Digitale kletskous, gezellige borrelaar, webgek en -werker, kattenvrouwtje. Lees, speel wat piano, zing wat, maak wat internetdingen. Hekel aan valse wijven, maar nog meer aan valse kerels.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *