Ik weet redelijk zeker dat ik het van mijn vader heb geërfd. Toen ik klein was, was een rinkelende telefoon altijd een bron van stress voor mijn arme pa. Mijn moeder en zusje en ik beleefden er eindeloos plezier aan om op zijn “ik ben er niet…ik ben errrrr niet” te reageren met: “Anco – zo heet hij dus-? Ja hoor, die is hier.” Om hem dan met een brede glimlach de hoorn in handen te drukken.

Nu 20 jaar verder, begrijp ik mijn vader en heb ik lichte spijt van mijn nare pesterijen. Van bellen word ik doodzenuwachtig. En wanneer ik er niet direct zenuwachtig van word, raak ik er op z’n minst geïrriteerd van. Bellen, wat een plaag.

Laten we eerlijk zijn. We leven niet langer ergens halverwege de jaren ’80. Op afstand communiceren is niet langer beperkt tot bellen of een brief schrijven. Kijk, toen was het logisch dat je even de telefoon pakte als je wat kwijt moest aan een ander.

Tegenwoordig is dat natuurlijk helemaal niet meer nodig. We kúnnen bellen….maar we kunnen net zo hard whatsappen, mailen, messagen en zelfs een gerichte por uitdelen op Facebook. Oké, wat het nut van dat laatste is weet ik ook nog steeds niet. Maat mijn punt is dat er dus helemaal niet meer gebeld hóeft te worden.

En toch zijn er mensen die de onbedwingbare behoefte hebben om mij via de telefoon te spreken. Vaak mensen die ik totaal niet ken. En dan heb ik het niet over (potentiële) klanten, want die mogen natuurlijk altijd bellen. Nee, dan heb ik het over mensen die waarmee ik mail- of twittercontact heb. Waarmee ik via mail of Facebook iets heb besproken en die dan opeens de onheilspellende zin tikken: “zullen we er van de week even over bellen?”

“Neeeeeeee….,” denk ik dan. Nee, nee, nee. Nee en nog eens nee, dubbel-nee. We waren zo goed op weg. We hadden digitaal contact. We vonden elkaar best aardig en leuk zo. Waarom zouden we dat allemaal stukmaken door te bellen? Why?

Het ligt natuurlijk niet aan hen. Zij krijgen geen zweethandjes van een rinkelende telefoon. Zij kijken niet met grote – geschrokken – ogen naar het scherm van hun mobiel wanneer dat oplicht en het duidelijk wordt dat het geen tweet maar een belletje is. Zij willen gewoon even bellen.

Zelf bel ik natuurlijk ook wel eens. Niet vaak, maar toch. En vaak als ik bel, betekent het dat ik zo geïrriteerd of boos ben dat ik vermoed dat mailcontact de boel alleen maar zal doen escaleren. Dus pak ik dan de telefoon en blijf veel rustiger dan ik digitaal zou zijn en los het op.

Misschien word ik daarom wel zenuwachtig van een belletje mijn kant op. Misschien projecteer ik mijn eigen belgedrag wel op anderen. Het moet bijna wel, want zodra ik de telefoon hoor denk ik: “Oh oh, wat heb ik gedaan…..?”

Toch zal ik het moeten afleren. Die angst voor die telefoon. Die zenuwen door de ringtone. Dit kan zo niet doorgaan. Ik ga mezelf eens een stevige schop onder de kont geven.

Aan de andere kant…..jullie zouden ook kunnen ophouden met mij te bellen tenzij het écht niet anders kan. Het hoeft natuurlijk niet, maar ik vind het nooit een slecht idee als de wereld bereid is zich aan te passen aan mijn gekte. Op de een of andere manier word ik daar vaak zelfs opvallend blij van.

Denk er gewoon even over na. In plaats van te bellen stuur je me volgende keer een mailtje, of bericht op het sociale netwerk van jouw keuze of vul je een contactformulier in op een van mijn vele websites.

Ik laat het aan jou over. Uiteraard. Maar het lijkt me het overwegen waard.