Een begrafenis op Aruba – deel 1

Deel 1 | Deel 2 | Deel 3

Het is zaterdagavond laat. Nu 1,5 week geleden. Na een slapeloze nacht die volgt op het nieuws dat mijn oma is overleden en een telefoongesprek van bijna 5 uur met mijn zusje, lig ik op bed te stuiteren. Emotioneel te stuiteren vooral. De telefoon gaat over en Jan neemt op. Er is een ticket voor me geregeld. Ik kan naar Aruba. Bij mijn moeder en andere familie zijn. Maar ik moet wel snel beslissen en direct de volgende dag vertrekken. Mijn gare (en bij vlagen licht autistische) hoofd ontploft een beetje. Ik zeg ja. En dan begint het.

Zondag race ik na een hele korte nacht richting Schiphol. Jan heeft mijn koffer voor me gepakt want zelf ben ik niet tot veel in staat, laat staan zoiets geordend als het inpakken van een koffer. Ik vlieg dit keer Arkefly. De dreamliner om precies te zijn. Twee uur voordat ik bij de gate moet zijn, Google ik dat toestel nog even. Weinig goed nieuws. Maar ik ga er toch in vliegen en besluit zowel mijn vliegangst als Google te negeren.

Na een kort afscheid en een lange loop naar de gate, haal ik heel even adem. Door het slaaptekort lijkt alles wat ik zie en hoor een rare droom. Om me heen is het een en al bedrijvigheid en drukte, zoals dat alleen op Schiphol er is. Ik sta erbuiten. Ik kijk ernaar alsof het me overkomt. Uit mijn tas trek ik mijn zonnebril, een mooie barrière tussen mezelf en de gekkigheid die me omringt.

Dan is het tijd om te vliegen. De Dreamliner blijkt inderdaad een mooi vliegtuig. Maar in economy class merk je daar weinig van. Naast mij zit een snipverkouden dame continu op me te niezen en hoesten. Ach, er zijn belangrijkere zaken.

Na 9,5 uur vliegen, sta ik opeens weer op Aruba. Nog maar een week geleden was ik hier ook al. Toen voor een vakantie. Bij de paspoortcontrole vraagt de douanier of ik lekker vakantie kom vieren: “Nee, mijn oma is overleden,” vertel ik hem: “Och, gecondoleerd en heel veel sterkte,” wenst hij me toe. Daar kan de douane in Nederland nog wat van leren.

Mijn vader staat me op te wachten. Zwijgend stappen we in de auto. Eenmaal thuis, schiet ik snel in een andere jurk (eentje gemaakt voor de tropen, maar geschikt voor een serieuze gelegenheid), grijp ik de autosleutels en rijd ik naar het huis van mijn oma. Daar is mijn hele familie bij elkaar en ik ben bij hen. Dat voelt goed.

Er wordt gehuild en gelachen. Er worden veel herinneringen opgehaald en verhalen verteld. In stilte luister ik mee. Ik weet niet goed wat ik moet zeggen. Als ik het had kunnen opschrijven, was het vast mooi geweest, maar dat zou een beetje raar zijn. Ik omhels deze en dan weer gene. De eerste avond gaat voorbij in een roes. Doodmoe kruip ik een paar uur later in een door de airco afgekoeld bed.

Dag 2

Het is nog geen 6 uur wanneer ik wakker schiet. Mijn moeder is al even op. Ze vertelt me veel over mijn oma. Over vroeger, maar ook het laatste jaar. Hoe mijn oma altijd een vrolijk mens was, altijd. En hoe ze dat het laatste jaar kwijt leek te raken. We praten uren met elkaar. Tussendoor oefen ik de nummers die ik zowel in het uitvaartcentrum als in de kerk zal zingen. Een van de nummers ken ik nog niet en ik heb nog maar twee dagen. Ik moet dus doorwerken.

Intussen gaat ook steeds de telefoon. De oudste zus van de familie is aan het regelen geslagen, maar heeft juist nu geen auto. Mijn moeder en ik moeten haar gaan halen om de begrafenis te regelen en de eerste financiële zaken af te handelen.

Dan belt weer een andere tante, zij heeft nog een liedje bedacht dat ik wel kan zingen. Tegen de avond staan er al 5 nummers op het programma en heb ik zo hard geoefend dat ik al schor ben. Maar dat weet ik dan nog niet.

We halen mijn oudste tante op en het geregel kan beginnen. Uren rijden we rond met mij als chauffeur. De jurk die mijn oma zal dragen moet naar de stomerij. De kist moet geregeld worden. De visagie en de manicure ook. Er moet besloten worden wat er gegeten wordt tijdens de condoleance en welk bidprentje er moet  komen. Er moeten bloemen worden besteld en gedichten worden geschreven. Elke 5 minuten wordt een beslissing genomen. Mijn hoofd loopt over.

Intussen gaat de telefoon van mijn tante continu over. De oudste zijn van een familie van 13 kinderen is wel even andere koek dan de oudste zijn van een familie van 2. Ik probeer dan ook zo stil en meewerkend mogelijk te zijn. Nooit eerder in mijn leven was ik zo´n goed gemanierd kind (van 39). Af en toe barst er iemand in tranen uit in de auto. Soms ben ik het, soms is het mijn moeder en soms mijn tante. De tranen worden weggeveegd en het regelen gaat weer door.

Na een lange dag, eten we samen een hapje en vertrekken dan weer richting mijn oma’s huis. Ook deze avond is de hele familie daar bij elkaar. Er is eten en drinken voor wie langskomt om te condoleren of steun te zoeken. En ook op deze avond worden er weer herinneringen opgehaald en wordt er gelachen en gehuild. Het voelt knus, al is de aanleiding natuurlijk helemaal niks.

Dag 3

Het is nu dinsdag. Vandaag zal mijn zusje uit Nederland arriveren. Maar voordat ik haar eind van de middag op ga halen, moet er eerst nog van alles gedaan worden. Maar voordat we weg kunnen moet ik van mijn moeder andere kleding aantrekken. Ik heb 3 jurken voor de begrafenis meegenomen en verder vooral outfits in vrolijke kleuren. Niemand had me verteld dat ik elke dag in de rouw zou zijn (nou ja, dat was ik ook wel) en me daarop moest kleden, waar ik ook ging. Dus krijg ik van mijn moeder een grote sjaal en parels en ga ik ogend als een Spaanse weduwe de deur uit.

We halen mijn tante weer op en gaan weer aan de slag. Mijn moeder, tante en ik zijn vandaag nog vermoeider. Tegen de middag beginnen we alledrie een beetje humeurig te worden. Ik doe een waardige poging om lief te blijven en ondanks dat ik niet van nature nou zo’n onwijs liefig mens bent, lukt me dat redelijk.

Bij het rouwcentrum praten we met de eigenaar over hoe en waar mijn oma wordt bijgelegd. Het is het familiegraf waar mijn opa ook al in ligt. Die zal er dan eerst uit worden gehaald en zijn kist open worden gemaakt. Zijn overblijfselen worden in een kleinere kist bewaard en aan de voeten van mijn oma gelegd.

“Denk je dat hij er nog goed uitziet?” Vraagt mijn tante aan de zeer vriendelijke man. “Jawel,” stelt hij ons gerust: “Mijn opa zag er na 8 jaar nog heel goed uit.” Om dat te bewijzen laat hij ons een foto zien van zijn opa na 8 jaar in het graf. Ik concludeer direct dat zijn “goed” en mijn “goed” erg ver uit elkaar liggen. Mijn “goed” bevat minder zombie-achtige elementen bijvoorbeeld. Snel geef ik de telefoon terug aan mijn tante.

Na nog meer ritten en geregel is het dan eindelijk tijd om mijn zusje op te halen. Ik ga haar in mijn eentje ophalen zodat mijn moeder even kan slapen. In de auto huil ik van vermoeidheid, maar ook van opluchting. Nu kunnen mijn zusje en ik het een en ander delen. Dat is fijn.

Ook mijn zusje schiet eenmaal gearriveerd snel onder de douche en trekt nette kleren uit haar koffer. Weer gaan we naar het huis van mijn oma. Weer is de hele familie daar. Dit keer is er een mis. Vrijwilligers van de kerk komen bidden voor mijn oma. In haar tuin staat een altaar met een kruis erop en haar foto. Er zijn stoelen neergezet voor de bidders en alle broers en zussen en de nichtjes en neefjes die op het eiland zijn.

Mijn zusje en ik zijn niet gelovig. Zelf ben ik atheïst. Tijdens de mis heb ik dan ook een uitgebreide innerlijke dialoog. Enerzijds erger ik me kapót aan het gekke, maar vooral ook sektarische geprevel. Anderzijds preek ik mezelf uitvoerig over hoe onbelangrijk mijn mening op dat moment is. In Nederland leer je dat van kleins af aan: JOUW mening telt. Op Aruba telt je mening ook wel, maar familie gaat voor alles. Met alle macht probeer ik mijn gezicht in een plooi te houden.

De kittens van mijn tante (die primair voor mijn oma zorgde en daar dus woonde) maken het me erg moeilijk. Eerst vallen ze de rozenkrans van een van de vrijwilligers aan. Dan hangt er opeens eentje in het kleed dat over het altaar zit. Ik moet heel hard mijn best doen om mijn gezicht in de plooi te houden. Maar het lukt me. Met een van de kittens op schoot, ben ik afgeleid van het geprevel. Gelukkig.

We eindigen de avond met wat snacks en nog veel meer herinneringen. Ik rijd eerder dan de anderen naar huis. Ik ben inmiddels zo moe dat ik gewoon van vermoeidheid elk moment in tranen uit kan barsten. Mijn stem begint het te begeven en dat maakt me zenuwachtig over de nummers die ik moet zingen. En ik wil gewoon slapen. Alleen maar slapen.

 

Digitale kletskous, gezellige borrelaar, webgek en -werker, kattenvrouwtje. Lees, speel wat piano, zing wat, maak wat internetdingen. Hekel aan valse wijven, maar nog meer aan valse kerels.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *