College 6

Lees Schwitters hoofdstuk 3: De sociale werking van het recht aan de hand van de volgende vragen:

1. Wat zou het directe effect van invoering van de omzetbelasting (BBO) zijn? En wat het beoogde indirecte effect?
2. Schwitters noemt een aantal redenen waarom mensen zich aan wetten houden. Welke zijn dat?
3. Wat zijn semi-autonome velden? En waarom zijn deze van belang voor de effectiviteit van wetgeving?
4. Tot slot bespreekt Schwitters een aantal bezwaren tegen het instrumentalisme: welke zijn dat?

Lees Aubert: Enkele sociale functies van wetgeving aan de hand van de volgende vragen:

5. Breng de vraagstelling van A.’s onderzoek onder woorden.
6. Welke onderzoeksmethoden hanteert A.?
7. Leg uit waarom conformiteit aan een wet niet een bewijs voor de effectiviteit van de wet is.
8. Kort na elkaar komen de volgende zinnen in A.’s onderzoeksverslag voor (p. 147-148):

- Voor het daadwerkelijk gedrag is het verschil tussen de leeftijdsgroepen wel significant bij dienstboden, echter niet bij de huisvrouwen.

- Er bestaat een sterke samenhang tussen de leeftijd van de huisvrouwen en het niveau van geïnformeerdheid.

- Onder de dienstboden is eveneens een samenhang tussen kennis en leeftijd te bespeuren. De verschillen zijn hier echter veel kleiner en minder significant dan bij hun “mevrouwen”.

a. Leg aan een modale huisvrouw of dienstbode uit wat A. hiermee wil zeggen.

b. Wat is overigens het verschil tussen significant en opmerkelijk?
Antwoord: bij significant gaat het om een statistisch relevant verschil; opmerkelijk is minder objectief.

9. Welke zijn de manifeste functies van de Wet op het Huishoudelijk Personeel (WHP)?

10. Op grond van welke factoren, specifiek voor de WHP, verwacht A. een geringe effectiviteit van de wet?

11. Welke latente functies van wetgeving worden door A. onderscheiden?